
Jurisprudentie
AV3318
Datum uitspraak2006-02-23
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1675 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1675 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Voortgezette administratieve fout aan de kant van verweerster bij berekening van de uitkering. Overgangstermijn van één jaar.
Uitspraak
05/1675 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen;
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 februari 2005, kenmerk JZ/U80/2005/0085, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, zoals aangevuld bij schrijven van 5 juni 2005 en 29 november 2005 heeft eiseres aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Voorts heeft eiseres bij schrijven van 9 januari 2006 nog een toelichting op haar standpunt ingestuurd.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 januari 2006. Aldaar is eiseres, zoals tevoren was bericht, niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren [in] 1942 in het voormalig Nederlands-Indië, is vervolgde in de zin van de Wet. Bij besluit van verweerster van 25 april 1997 is aan eiseres onder meer met ingang van 1 september 1996 een periodieke uitkering op grond van de Wet toegekend, berekend naar een grondslag van fl. 5.727,86. Bij verwerking van het door eiseres ingestuurde inlichtingenformulier 2003 heeft verweerster geconstateerd dat de door eiseres ontvangen uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen ten onrechte niet op grond van artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet integraal op haar periodieke uitkering in mindering is gebracht doch met vrijlating van 20% van de grondslag en 5% van haar inkomsten als verwervingskosten. Bij berekeningsbeslissing van 31 januari 2005 heeft verweerster de aan eiseres toekomende uitkering over 2003 definitief vastgesteld en met ingang van 1 januari 2005 de berekening van haar uitkering juist uitgevoerd. Het aan eiseres over het verleden teveel uitgekeerde bedrag heeft verweerster niet van haar teruggevorderd, aangezien dit is veroorzaakt door een voortgezette administratieve fout aan de kant van verweerster. Een door eiseres tegen deze beslissing gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerster heeft hierbij besloten aan eiseres een overgangstermijn van één jaar te geven door de juiste berekening van haar uitkering eerst ingaande 1 januari 2006 toe te passen.
Het geschil betreft de overgangstermijn. Eiseres kan zich met de haar gegeven overgangstermijn niet verenigen. Zij heeft aangevoerd - kort weergegeven - dat zij in de veronderstelling dat haar periodieke uitkering door verweerster juist was berekend, financiële verplichtingen is aangegaan in de vorm van een tweede hypotheek ter financiering van een verbouwing van de woning en dat zij gegeven de lange periode van ongewijzigde berekening van haar periodieke uitkering erop mocht vertrouwen dat deze berekening zou worden gecontinueerd en voorts dat de gewijzigde berekening van haar uitkering voor haar en haar man aanzienlijke financiële problemen met zich brengt.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens de gedingstukken is aan eiseres met ingang van 1 december 1997 een uitkering toegekend ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen, welke uitkering verweerster ingaande die datum op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet geheel op de aan eiseres toekomende periodieke uitkering in mindering had dienen te brengen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster de door haar gemaakte administratieve fout hersteld met ingang van 1 januari 2006, onder bepaling dat hetgeen aan eiseres vanaf 1 december 1997 als gevolg van de door verweerster uitgevoerde foutieve berekening te veel aan uitkering is verstrekt, niet zal worden teruggevorderd.
Naar het oordeel van de Raad strookt deze wijze van besluiten met het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen dienen te worden gehonoreerd. De Raad aanvaardt daarbij dat door de langdurige en foutieve handelwijze van verweerster bij eiseres verwachtingen zijn gewekt op grond waarvan zij een financiële verplichting in de vorm van een tweede hypotheek is aangegaan. Voorts aanvaardt de Raad dat eiseres schade lijdt doordat verweerster de onjuiste berekening van de eiseres toekomende uitkering thans beëindigt. De plicht van verweerster tot vergoeding van deze schade afwegend tegen de plicht van verweerster om de berekening van de aan eiseres toekomende periodieke uitkering met de wettelijke bepalingen in overeenstemming te brengen, kan de Raad verweerster niet gehouden achten tot het in acht nemen van een langere overgangstermijn dan één jaar. Hiermee acht de Raad het aan de kant van eiseres gewekte vertrouwen voldoende gecompenseerd. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat eiseres door de foutieve berekeningswijze van haar uitkering gedurende jaren voordeel heeft genoten, welk voordeel verweerster terecht heeft besloten niet van eiseres terug te vorderen.
Dit betekent dat het beroep van eiseres ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) P. van der Wal.

